NENEK PARMI
(klik hier voor beluisteren audiofragment)
(Uit: De Ogen van Solo)
Copyright © Reggie Baay 2005
St. Tong Tong
Den Haag
In de koffer zit een foto die mij intrigeert. Nu geldt dit voor alle foto’s die mijn vader mij heeft nagelaten, omdat ze mij – zij het maar voor even – plotsklaps toegang bieden tot de wereld die tot nu toe altijd voor mij gesloten was gebleven. Maar deze foto intrigeert me in het bijzonder, omdat - denk ik - het tafereel mij zo aangrijpt.
Het is de foto waarop mijn vader als drie-, vierjarig kind, gezeten op de arm van een baboe, met een zelfbewuste blik de lens inkijkt. Je ziet dat hij zich veilig en senang voelt. Die gevoelens werden hem geboden door de vrouw van wie de arm hem als zitplaats dient: mbok Saridjem. Zij op haar beurt kijkt vriendelijk en enigszins verlegen, en is zichtbaar – de manier waarop zij hem vasthoudt verraadt dat - vol liefde voor het kind dat zij draagt.
Zij was zijn ‘lijfbaboe’. De baboe die speciaal was belast met de zorg voor hem, het kind, mijn vader in dit geval. Zij zal hem in zijn eerste levensjaren als een moeder hebben gewassen, gevoed, gestraft en getroost. En zij zal daarmee en met haar onmetelijke liefde en haar grenzeloze Javaanse wijsheid een wezenlijk stempel op zijn opvoeding, op zijn vorming als mens hebben gehad. En dat – en ik realiseer me hoe idioot dat eigenlijk is - terwijl ik, zijn zoon, niets, maar dan ook niets van haar weet. Waar kwam ze bijvoorbeeld vandaan? Hoe was haar karakter? Hoe zag haar leven er precies uit? Hoe eindigde het? Het zijn vragen waarop ik nooit een antwoord zal krijgen. Dat is wat me aangrijpt.
Misschien intrigeert de foto van mbok Saridjem mij ook zo omdat zij mij doet denken aan nenek Parmi, mijn nenek Parmi. Haar leven en lot en dat van mbok Saridjem zullen, veronderstel ik, overeenkomsten hebben vertoond.
Zover als mijn herinnering reikt was ze er: nenek (oma) Parmi. Zij was geen oma in de Nederlandse betekenis (er was bijvoorbeeld geen familierelatie); zij was eigenlijk veel meer: verzorgster, opvoedster, wijze raadgeefster en bovenal onvoorwaardelijk liefhebbende.
Als door God gezonden verscheen zij opeens aan het begin van de jaren vijftig hier in Nederland. In O. om precies te zijn, waar mijn ouders een huis toegewezen hadden gekregen. O. was toen een plattelandsdorpje met een gesloten, overwegend agrarische gemeenschap van zo’n kleine honderd godvrezende zielen. Godvrezend in de streng gereformeerde traditie.
Het ongeluk wilde dat mijn ouders als enigen die uit Indië kwamen in het streng gelovige agrarische dorp waren geplaatst. En vooral mijn moeder, die was geboren in Zuid-Celebes en die, zoals dat in onze familie heette, nooit eerder ‘van het eiland af was geweest’, moet zich in die vreemde, kil-afstandelijke O’se gemeenschap vreselijk eenzaam hebben gevoeld.
Toen gebeurde het. Bij het verwerken van het kamp- en bersiapverleden, bemoeilijkt door het gemis van familie en vrienden - die waren allen in Indonesië - sloeg bij mijn moeder een allesverterend gevoel van heimwee toe.
Op dat moment verscheen nenek Parmi in het dorp. Afkomstig uit de buurt van Ngawi, was zij met de heer C. naar Nederland gekomen en de voorzienigheid had haar naar O. gebracht.
Direct en als vanzelfsprekend sloot nenek Parmi met ons een stilzwijgend verbond. Voor mijn moeder werd zij automatisch raadgeefster, vriendin en belangrijkste schakel met het verleden in Nederlands-Indië. Voor mij iemand die er vanaf dat moment gewoon elke dag was. Om mij te helpen verzorgen, om mij te dragen (‘nenek gendong’), om met mij te spelen en me te troosten. Maar bovenal om mij verhalen te vertellen. Urenlang. In het Javaans, want nenek Parmi weigerde Nederlands te leren. Zij wenste de taal gewoonweg niet te spreken. Nooit heeft zij in al die jaren ook maar één woord Nederlands over haar lippen gekregen.
Nenek Parmi heeft mij vanaf mijn vroege jeugd binnengeleid in de Javaanse goden- en demonenwereld. In de wereld waarin alles met alles samenhangt en waarin de mens slechts figurant is. Urenlang verhaalde zij over Ardjoena en Hanoman, over hantoes en momohs, over sprekende stenen en rivieren, over de kracht van de doekoens, over goede en slechte dagen, over de rituelen waarmee de mens tracht vat te krijgen op de loop der dingen, en over de kindertjes die als varkentjes ter wereld kwamen, omdat hun vader vlak voor hun geboorte op zwijnenjacht was gegaan. Elke dag opnieuw nam nenek Parmi mij mee naar die wonderlijke Javaanse wereld.
Toen ik naar de middelbare school ging, scheidden onze wegen. Ik zag haar daarna heel onregelmatig. Eigenlijk alleen nog bij bijzondere gelegenheden. En ik moet eerlijk bekennen dat ik in die tijd ook weinig aan haar dacht.
Totdat ik, enkele jaren later, hoorde dat nenek Parmi in een Nederlands verzorgingstehuis verbleef. Het ging niet goed met haar. Ze scheen helemaal niet meer te willen spreken. Ze wenste gewoonweg geen contact meer met haar omgeving.
Op een zondagmiddag ben ik naar het verzorgingstehuis gegaan. Daar trof ik nenek Parmi, zwijgend tussen klaverjassende en televisiekijkende Nederlandse bejaarden, letterlijk en figuurlijk als iemand uit een heel andere wereld. En het was nog erger dan ik dacht: niet alleen sprak nenek Parmi niet meer; ze had ook opgehouden om zelfs maar geluid te maken. Toen ze me herkende, huilde ze alleen maar. Hartverscheurend, zonder geluid en zonder ophouden. Minutenlang stroomden de tranen over haar gezicht, terwijl ze daar zat: volkomen geluidloos en zonder dat haar lichaam schokbewegingen maakte. Nooit eerder was voor mij het gevoel van eenzaamheid en ontheemding zo zichtbaar als op dat moment.
Niet lang daarna overleed nenek Parmi. En de wijze waarop zij mij dat kenbaar maakte, paste volkomen in de mystieke wereld die ik kende uit de verhalen. Ik was die avond thuis, tientallen kilometers verwijderd van waar nenek Parmi zich bevond, niet beseffend hoe ernstig haar situatie was. Plotseling, van het ene op het andere moment, vulde de kamer zich met een bloemengeur, zó sterk en zó welriekend als ik nooit eerder had ervaren. Direct wist ik dat het nenek Parmi was die bij haar vertrek uit dit aardse bestaan afscheid van me had genomen.
Inmiddels is dit alweer jaren geleden. Maar nog steeds vertoef ik met enige regelmaat in nenek Parmi's mystieke Javaanse wereld. Het laat me nooit meer los. Zo brand ik menjan bij bepaalde gelegenheden, geef ik selamatans bij bijzondere gebeurtenissen en kijk ik naar de goede en slechte dagen. Of ik daarmee de loop der dingen in positieve zin beïnvloed, weet ik niet. Dat is ook niet wat me drijft of bezighoudt. Het gaat mij om het verrichten van de handelingen, om de rituelen. Dat is mijn steeds terugkerende hormat, mijn steeds terugkerend eerbewijs, aan die bijzondere, onvergetelijke, wijze nenek Parmi.
Nenek Parmi in Nederland. De foto is gemaakt in 1987 in het verzorgingstehuis waar zij verbleef. Zij moet toen ongeveer 89 jaar oud geweest zijn. Een jaar later zou zij overlijden.