Reggie Baay
HomeAgenda, nieuws en boekbesprekingenFoto'sFavoriete linksGastenboekContact
Dagboek Indonesië
Agenda
Nieuws
PARMINAH (Uit: Portret van een oermoeder)
NENEK PARMI
Dagboek Indonesië
Boekbesprekingen
Uit de media
Februari, 2010
RSS
Jakarta, zondag
 
Na een ongemakkelijke nacht zonder slaap (slapen in een vliegtuig heb ik nooit gekund en zal ik waarschijnlijk ook nooit kunnen) kom ik aan op Soekarno-Hatta, het vliegveld van Jakarta. De goden zijn mij en mijn medepassagiers goedgezind, want de anders zo stroperig langzame afhandeling van formaliteiten blijft ditmaal achterwege. Zelfs het tergende ‘visumgebeuren’ is ditmaal bijna een toonbeeld van efficiëncy; vlotjes en zonder veel gewichtigdoenerij wisselen dollars en visa van eigenaar. Bovendien ontwaar ik bij de douane-ambtenaar die mij monstert en checkt of er geen internationaal opsporingsbevel tegen mij van kracht is, zelfs een meer dan flauwe glimlach… De tekenen zijn dus gunstig, bedenk ik mij, mijn verblijf en missie hier zal zich onder een goed gesternte voltrekken!
             Als ik de aankomsthal verlaat en buiten kom, word ik overvallen door de klamme, bijna verstikkende hitte. Het is het einde van het regenseizoen en de extreem hoge luchtvochtigheid werkt letterlijk en figuurlijk verlammend op iedereen: westerlingen en Indonesiërs.  Ik moet opeens denken aan al die ‘arme’ kolonialen die ten tijde van de kolonie Nederlands-Indië met enig optimisme (men verwachtte immers een beter bestaan te vinden) hier in Jakarta voet aan land zetten. De moed moet hen toch direct in de schoenen gezonken zijn vanwege die verzengende, verstikkende hitte! Menigeen zal zich als een vis in zuurstofloos water gewaand hebben en het liefst rechtsomkeer gemaakt hebben. In deze dodelijke hitte valt, zo moeten ze gedacht hebben, immers niet te leven, laat staan te werken! Als al die lui die dat bij aankomst hebben gedacht ook daadwerkelijk waren teruggekeerd, dan zou de Nederlandse koloniale geschiedenis en die van Indonesië er heel anders hebben uitgezien…
            Even later zit ik een busje van Japanse makelij dat z’n beste tijd heeft gehad. Behendig manoeuvrerend weet de chauffeur de vele andere weggebruikers te omzeilen als waren het lastige insecten die hij van zich af moet schudden. Ondertussen laat ik vanachter het autoraam Jakarta op me inwerken. De laatste keer dat ik er was is inmiddels alweer jaren geleden. Hoewel ik gemiddeld minstens een keer per jaar in de regio ben, besef ik dat ik Jakarta telkens stelselmatig heb omzeild: te druk, te vies en geen specifieke reden om er te zijn. Ik merk hoe bepalend in dit opzicht familiebanden zijn. Als ik op Java ben, dan bezoek ik midden-Java; Yogya en Solo, daar immers komt mijn familie vandaan. Met Jakarta heeft mijn familie geen geschiedenis…
            De stad lijkt zo op het eerste gezicht niet wezenlijk veranderd, tenminste als mijn geheugen mij niet bedriegt: megalomane hoogbouw - veelal prestigieuze kantoorgebouwen -worden afgewisseld door armoedige huisjes en krotjes. Daartussenin stukjes braakliggend land waar de pisangbomen welig tieren. Het zijn werkelijk bomen die verre van kieskeurig zijn; ze gedijen zelfs op vervuilde grond! Als ik zo’n tien minuten de stad aan mijn gretig oog voorbij heb laten trekken, voel ik me er overigens alweer helemaal thuis.
           
Ik zit in een hotel waar vrijwel geen westerse toerist te bekennen valt. Ik zie er alleen maar Aziaten, met name Indonesische mensen uit andere delen van Java en van de andere eilanden. En als ik de etage betreed op weg naar mijn kamer, dan valt één ding me direct op omdat ik dat in Nederland inmiddels ben ontwend: hier wordt nog vrolijk gerookt! Menig rookactivist uit Nederland zal met stijgende jaloezie hier kennis van nemen: de hele etage staat blauw en stijf van de rook! Als ik door een blauwige, naar kretekruikende waas naar mijn kamer loop, hoor ik vanachter de andere hotelkamerdeuren lachende stemmen die in een sympathiek klinkend Bahasa de zaken des levens de revue laten passeren, terwijl tussen de deurkieren door rook de gang opdwarrelt. Hoewel ik zelf al vijftien jaar niet meer rook, deert het me niet; dat roken , bedoel ik. Bovendien ben ik ook veel te moe om op een westers-assertieve wijze mijn ‘recht’ te halen en een rookloze kamer op een reuk- en rookloze etage te ‘eisen’ (ik had bij het inchecken aangegeven dat ik een kamer wenste op een niet-roken etage, maar ik besef nu dat dat helemaal niet bestaat in dit hotel!). En dat heeft ook zo z’n voordelen; het vertoeven op een door rook vergeven etage. Ik val namelijk vrijwel direct na het betreden van mijn kamer in een diepe slaap met een gevoel dat ik minstens 25 tot 30 jaar jonger ben. Het is het gevoel als uit mijn studententijd: het gevoel een hele nacht te zijn doorgegaan in een etablissement waar iedereen rookt en waar alles doortrokken is van de nicotine. Misschien, als ik hier langer dan een week zit, ga ik vanzelf – ondanks de onthouding van vijftien jaar – weer roken, bedenk ik me als ik wakker word …



Tanah Abang: foto genomen vanuit mijn hotelkamer.


Jakarta, maandag
 
Vandaag tussen twee afspraken door even de antiekmarkt bezocht aan Jalan Surabaya. Ik kon het niet laten om weer eens op zoek te gaan naar een echte of vermeende aanvulling op mijn verzameling Indonesisch antiek. Ik verzamel, moet u weten, antieke sirihstellen. Ik heb me uiteraard wel eens afgevraagd waar mijn fascinatie voor sirihstellen vandaan komt. En ik denk het – na veel graafwerk in mijn geheugen – nu eindelijk te weten. Waarschijnlijk heeft het te maken met het feit dat nenek Parmi (over wie ik in De Ogen van Solo geschreven heb) mij, toen ik nog een kind was, ooit haar eigen sirihstel heeft laten zien, zo’n prachtige koperen, zo eentje die je nu nog regelmatig in antiekwinkels aantreft. De tragiek zat ‘m in het feit dat zij het stel zorgvuldig had opgeborgen, omdat zij het hier in Nederland wegens het gebrek aan de noodzakelijke ingrediënten, niet meer kon gebruiken. Minstens zo treurig was vervolgens dat zij zich daardoor genoodzaakt zag om haar sirihgebruik te vervangen door het kauwen van Nederlandse pruimtabak! Enfin, onbewust zal het allemaal zo’n indruk op me gemaakt hebben dat ik jaren geleden heb besloten om sirihstellen te gaan verzamelen, tenminste, dat denk ik nu.
            Aangekomen op Jalan Surabaya is het te merken dat het maandag is, het begin van de week, want de loop zit er niet echt in (ik ben een van de weinige bezoekers van de markt). De verkopers tonen een weinig commerciële instelling en hebben een enorme landerigheid over zich waardoor ik me bijna schuldig voel als ik ze ‘lastig’ val wanneer ik écht geïnteresseerd ben in hun koopwaar. Hoe anders is dat op zaterdag. Dan namelijk vertonen ze een ongekende bedrijvigheid, gretig om te verkopen, gretig om voldoende contant geld in handen te krijgen, omdat aan het einde van die dag de ‘marktmeester’ het geld (een niet gering bedrag heb ik me laten vertellen) komt innen voor hun standplaats. Er is mij dan ook gezegd dat zaterdag de beste dag is voor koopjes. Maar eigenlijk ervaar ik het nu wel als prettig dat de verkopers zich niet opdringen, maar pas in actie komen als je werkelijk iets gevonden hebt dat je interesseert. Dan betaal ik maar iets meer, denk ik. Het geeft mij nu in ieder geval de gelegenheid om alles heel rustig en grondig te inspecteren.
Er is heel veel: naast veel houtsnijwerk ook veel koperwerk en zilver. En het klopt dat zeker niet alles antiek en echt is. Je treft er naast namaak bijvoorbeeld ook nieuwe voorwerpen aan die voor de toeristen ‘oud’ gemaakt zijn. Dus, zoals overal elders op de wereld als het om antiek gaat: goed kijken, uitkijken en weten waar je op moet letten. Ten slotte vind ik een prachtig antiek Sumatraans reisstel van zilver, dat ik na heftig afdingen voor een – in mijn ogen – goede prijs weet te bemachtigen. Voldaan verlaat ik daarna de markt; trots met mijn nieuwe aanwinst, verpakt in de Jakarta Post.



Het zilveren sirih-reisstel, gekocht op de antiekmarkt van Jalan Surabaya.
 
Later, in de middag, besluit ik nog naar Glodok te gaan. De Chinese wijk van Jakarta, ook bekend van De Paria van Glodok, het toneelstuk van Victor Ido. De wijk ligt ongeveer halverwege tussen het Merdekaplein en de ‘kota’ dat gecentreerd is rond het Fatahillahplein. Je komt er via twee overvolle, stinkende en vervuilde wegen: de Jalan Gajah Mada en de Jalan Hayam Wuruk. Wegen die zo vol zijn van verkeer dat ik – toen ik later deze straten te voet probeerde over te steken – bijna het leven heb gelaten.
In Glodok loop ik op m’n gemak rond en probeer ik de sfeer op te snuiven van deze prachtige historische wijk. Ik bezoek twee mooie Chinese tempels en loop daarna de nieuwe Pasar Glodok binnen. De oude Pasar is tijdens de ongeregeldheden in 1998, die uiteindelijk de val van Soeharto inleidden, vernield en vervolgens platgebrand. Het is helaas weer zo’n schrijnend voorbeeld van de Chinezenhaat die nog steeds van tijd tot tijd de kop opsteekt in Indonesië; de oude Pasar Glodok werd door de relschoppers gezien als symbool van de Chinese macht over de Indonesische economie. 
Wat ik prettig vind, al lopend over Pasar Glodok, is dat ik het gevoel heb op te gaan in de ‘Indonesische massa’. Het is me al eerder opgevallen: niemand kijkt me aan, of spreekt me aan; niemand herkent in mij de toerist. Althans, zo lijkt het. Wat absoluut een rol speelt is dat ik hier nu alleen ben. Normaal gesproken ben ik in het gezelschap van mijn vrouw en die is hier in Azië zéér herkenbaar: blond, blauwe ogen en ze torent flink boven de gemiddelde Aziaat uit.
Overigens is er op deze overdekte pasar niet zo bijzonder veel te zien. Wat dat betreft is Pasar Glodok inwisselbaar voor soortgelijke Chinese markten in bijvoorbeeld Hongkong of Kuala Lumpur: veel groente-, vis- en vleesstalletjes, kruidenwinkeltjes en zaakjes met Chinese parafernalia, maar ook kleding- en  electronicawinkeltjes, kapperszaakjes en natuurlijk allerlei eetstalletjes of restaurantjes.
Op de een na laatste etage van de nieuwe pasar Glodok, zie ik een zaakje waar men Gulai kambing serveert. Hééél verleidelijk. Ik sta op het punt naar binnen te stappen om er een portie te nuttigen, maar dan ga ik automatisch ‘calculeren’: morgen word ik geacht een lezing te geven over de njai en een al te voortvarende stoelgang kan ik daarbij niet gebruiken. En die kans zit er, vrees ik, als ik daar gegeten heb, absoluut in. Althans dat zegt mijn gevoel. De lafaard in mij overwint ten slotte en ondanks een immens verlangen loop ik het zaakje voorbij…


Jakarta, dinsdag

Vandaag, na gedane arbeid, een bezoek gebracht aan de oude stad, de ‘kota’; de plaats waar in de eerste eeuwen van de Nederlandse overheersing in de archipel het bestuurlijke centrum zetelde. En het is, mocht u binnenkort Jakarta gaan bezoeken, een visite waard. Het Fatahillahplein, waaromheen alles is gesitueerd, is op zich best sfeervol door de vele uitgelaten en goedlachse Indonesische jongeren die het plein in bezit hebben genomen. En omdat dit kleine stukje van Jakarta gesloten is voor het afschuwelijke en alles overheersende verkeer is het een ware verademing, omdat je je voor even bevrijd waant van de gemotoriseerde Jakartaanse gekte. Bovendien, in deze stad waar weinig uit het verleden de slopershamer heeft kunnen ontlopen, valt er – relatief – best nog het een en ander te zien: een oude koloniale kerk waar nu een wayangmuseum is gevestigd, het oude gerechtsgebouw (nu een textielmuseum), en oude woonhuizen uit de 17e en 18e eeuw (waar nu onduidelijke onderneminkjes hun al dan niet illegale domicilie hebben).
 Het meest imposant is hier toch wel het oude gouvernementskantoor, ook wel het oude ‘paleis’ van de gouverneur-generaal genoemd: groot, rijzig en centraal op het plein. Het is een prachtig gebouw en het bevindt zich, zo op het eerste gezicht, nog in een redelijke staat.



De kota in Jakarta: het Fatahillahplein met op de achtergrond het prachtige oude gouvernementskantoor

Er is momenteel een museum in gevestigd: het museum Jakarta. En een bezoek er aan is een belevenis. Maar dan niet of niet zozeer vanwege de ‘collectie’… Als ik mij namelijk naar de ingang begeef om een toegangskaartje te kopen, begrijp ik opeens wat al die Indonesische jongeren op en rond het plein doen: het zijn scholieren die met hun klas een verplichte excursie naar dit museum maken. En het zijn vele klassen die deze dag hebben uitgekozen om zich rekenschap te geven van (een deel van) hun geschiedenis. Althans, als het aan de begeleidende onderwijzers ligt. De leerlingen zelf blijken weinig oog te hebben voor het  historische erfgoed (wat overigens voornamelijk bestaat uit zaken uit de vroege koloniale tijd), maar des te meer voor elkaar: het is een gekir en gekraai van jewelste. Twee dingen zijn me in ieder geval duidelijk: ze beschouwen dit uitstapje als een zeer welkome onderbreking van hun schoolleven en ze hebben onderling de grootste lol.
Het personeel van het museum telt twee man, die beide bij de ingang geposteerd zijn en die samen nauwelijks de drukte van de passerende schoolklassen bij de kassa aankunnen. Een kaartje kost hier overigens het onwaarschijnlijke bedrag van 2000 rupiah per persoon. Omgerekend is dat veertien eurocent. Komt men als groep dan kost het zelfs 1000 rupiah per persoon, oftewel zeven eurocent!
Het museum toont ons vooral enkele stijlkamers, gevuld met – weliswaar prachtige, maar slecht geconserveerde – meubelen uit de vroege koloniale tijd. Niet echt iets wat de Indonesische jeugd kan boeien. En dat blijkt. Het bezoek aan dit museum is dan ook een volstrekt andere ervaring dan een bezoek aan een doorsnee Nederlands museum. Het is een kakofonie van geluid; er wordt gegild en gerend en er wordt nog meer gelachen. Er is geen enkel toezicht en ondanks dat er overal bordjes staan dat er niet gefotografeerd mag worden, is het enige wat de scholieren doen: overal ongegeneerd foto’s maken. Niet van de antieke meubelen of schilderijen, maar van elkaar, waarbij de museumstukken als decor dienen. Een gemiddelde suppoost in Nederland zou hier binnen vijf minuten aan een acute hartstilstand overlijden…
        
 Ik ben in veel landen en in vele musea geweest, maar dit heb ik nog nooit meegemaakt. En de vrolijkheid en uitgelatenheid van de scholieren werkt aanstekelijk; ik heb vooral oog voor wat zij allemaal doen en het maakt me zelfs balorig: ik besluit vrolijk mee te knippen met mijn fototoestel, waarbij ik vooral foto’s maak – ongemerkt – van hoe zij zich vermaken in dit bijzondere museum. 





Het Museum Jakarta: Indonesische schoolmeisjes bekijken de foto's die ze net van elkaar gemaakt hebben op de digitale camera.

Na enige tijd verlaat ik het Java-museum en betreed ik weer het centrale plein. Het is ontzettend warm buiten en ik vraag mij af of dit nu de in de historische bronnen zo vaak genoemde hitte van de benedenstad is. Het lijkt mij in ieder geval een stuk warmer dan in het centrum of het zuiden van Jakarta. Ik steek het plein over en besluit wat te gaan drinken en (wellicht) wat te gaan eten in het aan het plein gelegen Café Batavia. Deze uitspanning ziet er zeer aantrekkelijk uit met haar mooie groene luifel en Joost Swarte-achtige belettering. Het interieur is eveneens indrukwekkend: veel hout en mooi jaren dertig meubilair. Dan bekruipt me een vervelend gevoel: de bediening is te on-Indonesisch gladjes. En als ik op de menukaart kijk dan word ik in dat gevoel bevestigd: men serveert er Europees eten (Hollands, Italiaans en Frans) tegen Europese prijzen. En voor wie persé Aziatisch wil, zijn er enkele Chinese gerechten. Ik heb direct geen eetlust meer en geef de ober te kennen dat ik alleen wat wil drinken: ijskoude air jeruk. Direct is hij minder voorkomend dan toen ik hier binnen kwam.
Het lijkt me typisch een etablissement dat drijft op groepen toeristen die hier door de touroperators naartoe worden geloodst na een bezoek aan de kota. Die gedachte is nog maar net uit mijn hoofd verdwenen of een buslading Nederlandse toeristen zwermt binnen. Allemaal gepensioneerden of vutters, van wie de meeste heren dikbuikig en gestoken in weinig flatteuze ‘shorts’. Tja, die hebben lekker het geld en de tijd om het hele jaar door op vakantie te gaan, stel ik jaloers vast. Direct nemen ze fysiek en verbaal bezit van het restaurant. Er zitten enkele figuren tussen die extreem luidruchtig en veel te joviaal zijn. De zogenaamde sfeermakers van de groep, althans dat vinden ze zelf. Het personeel van Café Batavia laat het zich allemaal aanleunen, gewend aan dit type toerist en zich bewust van het economische belang van de toestroom van dit soort gezelschappen.
Uiteraard, zou ik bijna zeggen, bestellen ze allemaal westers eten. Hun gesprekken kan ik vervolgens woordelijk volgen, niet alleen omdat die op een volume worden gevoerd die het je onmogelijk maakt om ze niet te horen, maar ook omdat ze denken dat ik een Indonesiër ben en het toch niet kan verstaan. De details van de gesprekken zal ik u onthouden, maar ze kunnen grofweg omschreven worden als onbenullig, zogenaamd grappig en doorspekt met vooroordelen over Indonesië en de Indonesiër… Snel drink ik mijn air jeruk op, reken af en verlaat Café Batavia.
Tot slot van mijn bezoek aan de kota besluit ik nog even het wayangmuseum binnen te wippen. Al was het alleen maar omdat het pand waarin het gevestigd is zo mooi is: een oude koloniale kerk die later dienst heeft gedaan als opslagplaats. (Op het binnenplein zijn overigens nog verschillende graven van vermaarde VOC-dienaren te vinden.) Daarnaast ben ik bezig met het schrijven van een stuk voor wayang, dus, hou ik mezelf voor, wellicht kan ik er nog iets van opsteken en kan ik dat gebruiken bij het schrijven van het stuk.
In dit museum is het een stuk rustiger dan in het schuin tegenover liggende Java-museum. Buiten mijzelf tel ik in het hele museum slechts een twaalftal andere bezoekers, Indonesische jongeren, waarvan het merendeel meisjes. De collectie van het museum bestaat uit honderden wayangpoppen, zowel oud als modern. Veel van de poppen staan opgepropt in vitrines en veel toelichting is er helaas niet, zodat het vooral blijft bij het nauwkeurig bestuderen van het verschil in uiterlijk van de figuren.  
Als ik bij een van de laatste vitrines ben aangeland en de wayangfiguren achter het vitrineglas bestudeer, zie ik uit mijn ooghoeken twee meisjes naast mij gniffelen en naar mij kijken. Als een echte westerling vraag ik heel direct wat er is, waarna een van de meisjes, die met de meest zelfbewuste oogopslag, lachend tegen mij zegt dat ik net zo’n grote, kromme neus heb als Arjuna. Als ik vervolgens naar het profiel van de Arjuna-figuur in de vitrine kijk, constateer ik dat dat inderdaad waar is. Maar dat is nog altijd beter dan de hidung pesek van Hanoman, zegt het andere meisje daarna troostend.     
 

Jakarta, woensdag

Vanmorgen in mijn hotel opgehaald door Heru, de chauffeur van het Erasmus Taalcentrum, die mij in een ruime, comfortabele FWD door de hectische Jakartaanse spits naar de Universitas Indonesia zal brengen. Op de U.I (als er iets af te korten valt, dan zal dat in Indonesië ook altijd gebeuren!) heb ik het genoegen om aan 4e en 3e jaarsstudenten van de vakgroep Nederlands colleges te geven over De njai en De Ogen van Solo.
 De universiteit ligt in Depok, in het zuiden, en mijn hotel in het centrum aan Kebon Sirih. Qua afstand in kilometers niet eens zo ver, maar vanwege de vele opstoppingen (Jakarta is zeker op dit soort momenten een stad in congestie) wordt ongeveer een uur voor de reis uitgetrokken. Overigens zou de keuze van mijn hotel later bij verschillende mensen vragen oproepen. Hoewel het een goed en degelijk hotel is, ligt het midden in Tanah Abang, een wijk in Jakarta die nogal slecht bekend staat en waar, naar het schijnt, de Jakartaanse maffia heerst (later, als ik ’s avonds - gelukkig in het veilige gezelschap van een bewoner - in de wijk rondloop, wordt dat ook onomstotelijk bewezen). Mij leek het overigens wel romantisch om juist hier in Tanah Abang te logeren. Het is een bekende plek uit de literatuur; hier immers werd Leo terechtgesteld, de hoofdpersoon uit Victor Ido’s Paria van Glodok. Bovendien ligt het natuurlijk vlak bij Glodok, van oudsher de Chinese wijk van Jakarta, het decor van Ido’s werk.
          De rit naar Depok verloopt overigens redelijk voorspoedig. Na ongeveer vijftig minuten arriveren we op de campus. Heru, de chauffeur, verdient daarvoor een pluim, want om in Jakarta te kunnen rijden, en zeker in de spits, moet je niet alleen over stalen zenuwen beschikken, maar ook over een meer dan voortreffelijk inschattingsvermogen (kan ik daar met mijn auto nog net tussen? lukt het me om met deze snelheid nog tijdig te stoppen?), een flinke dosis branie (ik duw door en ga ervan uit dat de ander zich door mij laat intimideren) en over de koelbloedigheid van een koningspython. Heru blijkt dat allemaal te bezitten, waardoor wij veilig en ruimschoots op tijd het terrein van de U.I. oprijden.
    De universiteit is opgezet naar Amerikaans model: een uitgestrekte, groene campus met daarin de aparte gebouwen van de verschillende faculteiten.



De Universitas Indonesia in Depok, 'opgezet naar Amerikaans model: een uitgestrekte groene campus met daarin de aparte gebouwen van de verschillende faculteiten.'

Een verademing als je de universiteit van Leiden (Witte Singel) of de universiteit van Amsterdam (Spuistraat) gewend bent. De situering nodigt uit tot picknicken, en, zo zal ik later zelf kunnen constateren, dat gebeurt dan ook veelvuldig, evenals de zogenaamde ‘open class’, oftewel het college in de buitenlucht! Zeker in de ochtenduren, als het nog niet te warm is, is dat natuurlijk fantastisch. Bovendien ligt de Seksi Belanda in dat opzicht heel gunstig; dicht bij open water waardoor je je, als je daar als student zit, in een vakantieparadijs waant, terwijl je tegelijkertijd college hebt.
   In het gebouw van de Seksi Belanda word ik bij de ingang van de docentenkamer verwelkomd door een docente: Ari, die ik zo’n vijfentwintig jaar geleden voor het laatst heb gezien toen ze tijdelijk aan de Leidse universiteit studeerde. Het weerzien is hartelijk. We constateren beide dat we ouder zijn geworden. In de docentenkamer word ik vervolgens opgewacht door Kees (Groeneboer) van het Erasmus Taalcentrum hier in Jakarta. Met hem heb ik vanuit Nederland contact gehad over de gastcolleges. We hebben elkaar enkele jaren geleden voor het laatst gezien in Nederland tijdens een lezingenmiddag in Leiden, maar blijken opeens, zonder het te hebben geweten, zo’n dertig jaar geleden ‘klasgenoten’ geweest te zijn bij de bijvakcolleges Bahasa Indonesia die aan de VU werden gegeven. Het is een kleine wereld, stellen we vast.
     Even later verschijnt Christina, de docente letterkunde voor wier vak ik aan de studenten iets ga vertellen over De njai en De ogen van Solo. Al gauw blijkt het onderwijs ook hier op de gebruikelijke problemen te stuiten: het zoeken naar een groter en geschikt lokaal blijkt ook hier een moeizame, schier onmogelijke opgave. Uiteindelijk is er een ruimte beschikbaar die voldoet en begeven we ons naar het lokaal.
    Na een korte introductie door Christina ga ik van start. Ik heb me in Nederland  degelijk voorbereid en heb de inhoud van het college zelfs op schrift gesteld. Maar een echte lezing is hier niet toepasselijk en al snel praat ik losjes en vrijuit. En dat bevalt uitstekend. Ik moet zeggen dat ik het een heel bijzondere en mooie ervaring vind om juist hier, tegenover Indonesische studenten, over mijn werk en in het bijzonder over de njai te spreken. Voor velen is het overigens, net als voor vele Nederlanders en Indische Nederlanders, een eye-opener: de geschiedenis van de Indonesische vrouwen die op zo’n grote schaal met Europese mannen samenleefden. Ik merk dat het indruk maakt als ik vertel over de geschiedenis van mijn Javaanse grootmoeder en mijn zoektocht naar haar. Ik besluit mijn college met het voorlezen van het aangrijpende levensverhaal van Roebiam, zoals dat te vinden is in mijn boek. Als ik de laatste zin heb uitgesproken is er slechts een oorverdovende stilte. Om dat te doorbreken opper ik of er vragen zijn naar aanleiding van wat ik verteld heb. Dat blijkt niet het geval. Ik weet niet of dat nu komt door verlegenheid of dat mijn verhaal de studenten niet heeft kunnen boeien. Uit het feit dat vervolgens verschillende studenten mij na afloop heel voorzichtig vragen of ik met hen op de foto wil, concludeer ik maar dat het een kwestie van niet durven is.
Het college over De Ogen van Solo ’s middags (waarvoor de studenten ten behoeve van mijn praatje, speciaal een aantal fragmenten hebben moeten lezen) is mij gemakkelijker gemaakt, want twee weken eerder is Marion (Bloem) hier geweest om over de film Ver van familie te spreken (stilletjes hoop ik dat een van de studenten mij herkent als de acteur achter de museumdirecteur, maar tevergeefs). Dat maakt het voor mij in zoverre gemakkelijk dat ik niet uitvoerig hoef in te gaan op hoe het nu zo is gekomen met al die Indische Nederlanders daar in Belanda. Ik behandel De Ogen van Solo als post-koloniaal werk in internationaal perspectief. Dat klinkt nogal hoogdravend, maar wat ik vooral aan de studenten wil duidelijk maken is dat het werk van de 2e generatie Indische schrijvers in Nederland een heel eigen karakter heeft en daarmee een heel eigen plaats inneemt in de context van de internationale postkoloniale literaturen. Ook dit college eindig ik met het voorlezen van een fragment, en wel over de aankomst in Nederland. Tijdens het lezen merk ik dat ik nogal wat Maleise woorden in dit fragment heb gebruikt. En elke keer levert zo’n woord een licht gegrinnik op onder de aanwezige studenten. Ik weet niet of dat nu komt door herkenning of door mijn uitspraak…



Op de foto met twee studentes van de Universitas Indonesia



Jakarta, donderdag

In Indonesië loop je niet – althans, als je in de grote plaatsen woont - maar laat je je verplaatsen. Tenzij het natuurlijk je broodwinning is; dan ben jij degene die anderen verplaatst, maar ook dat doe je niet te voet. Grote Aziatische steden als Jakarta zijn ook helemaal niet ingesteld op voetgangers. Die bestaan daar niet. En als je als westerling toch – heel eigenwijs – een andere mening bent toegedaan, dan zal dat je bezuren ook: de onbarmhartige hitte, de stinkende en zeer ongezonde uitstoot van het niet aflatende gemotoriseerde verkeer, het ontbreken van trottoirs of voetpaden (en als ze er wel zijn, dan zijn ze levensgevaarlijk vanwege de grote gaten, loszittende stenen, vervuiling e.d.) en, niet in de laatste plaats, de voortdurende dreiging het leven te zullen laten vanwege de vele automobilisten (en vlak de talloze brommer- en scooterrijders niet uit!) die op geen enkele manier zijn ingesteld op het bestaan van de voetganger en met hem of haar dan ook geen enkele compassie hebben.
            Het gevolg is dat je hier dus niet, zoals bij ons in Nederland, hordes nordic-walkende bejaarden tegenkomt, of wandelende vetverbrandende overgewicht-types of gewoon zwermen voetgangers die het uit calvinistisch oogpunt onverantwoord vinden als je ‘voor zo’n stukje’ een bus of taxi zou nemen.
            Enfin, hier in Jakarta laat ik me dus met alle plezier (ik ben geen wandeltype) verplaatsen, en ik doe dat, net als de gemiddelde Indonesiër, ook voor de korte en ultrakorte stukjes. In de Indonesische hoofdstad heb je hiervoor de keuze uit bajajs, mikrolets, ojeks, bussen en taxi’s.  
            Je laten vervoeren met een bajaj is een avontuur. Het zijn veelal zeer oude en gammele oranjekleurige driewielers met een stinkende, sterk vervuilende motor. Voordat je instapt moet er natuurlijk ‘ge-tawared’, oftewel onderhandeld worden met de bestuurder die steevast begint met het dubbele van de werkelijke ritprijs te vragen. Ben je het eenmaal eens geworden en ben je ingestapt, dan begint het echte avontuur. Gezeten achter de bestuurder van het oude en gammele voertuigje voel je je al snel een doelwit voor de ‘grote’ gemotoriseerde jongens op de weg: de auto’s vrachtauto’s en bussen. Deze lijken op geen enkele manier rekening te willen houden met de kleine bajaj; die wordt over het hoofd gezien, gesneden en soms zelfs van de weg gedrukt. Het is slechts aan de behendigheid en de koelbloedigheid van de bestuurder van de bajaj te danken dat je het er als passagier levend vanaf brengt. Wat zo’n rit ook tot een avontuur maakt is dat de gemiddelde bajaj-bestuurder lak heeft aan verkeersregels. Keren op plaatsen waar dat eigenlijk volstrekt onverantwoord is, het negeren van stoplichten of tegen het verkeer inrijden omdat het gemakkelijker is; de bajaj-bestuurder draait er z’n hand niet voor om. Deze voertuigjes mogen overigens officieel niet vòòr tien uur ’s avonds op de hoofdwegen rijden. Ik hoef u niet te vertellen dat – afgaande op de praktijk – geen enkele bajaj-bestuurder ooit van die regel heeft gehoord…
Mikrolets zijn de bekende minibussen zoals je ze in elk tropisch land kunt aantreffen en die plaats bieden aan zo’n tien tot twaalf passagiers. Die in Jakarta zijn te herkennen aan hun vaalblauwe kleur en hun oncomfortabele ‘uitstraling’. Het zijn veelal (zeer) oude vehikels zonder (goede) vering en airco. Wat dit laatste betreft: om dit gemis op te vangen staan over het algemeen alle ramen en deuren van de gemiddelde mikrolet wagenwijd open. Het zorgt ervoor dat je als passagier niet alleen zeer oncomfortabel reist, maar ook nog eens in de onbarmhartige hitte volledig blootstaat aan alle giftige uitlaatgassen van de Indonesische hoofdstad. Technisch is menige mikrolet ook niet geheel betrouwbaar; in de vijf dagen dat ik hier ben, heb ik er al vier met panne aan de kant van de weg zien staan…
          Anders is dat met de ojek. Een ojek is een lichte motor: heel wendbaar en snel voor wie zich – alleen – wil laten verplaatsen door Jakarta. Je moet wel een beetje een horror-liefhebber zijn, want de bestuurders van de ojeks zijn over het algemeen jonge, branie-achtige types die nog het gevoel hebben dat ze niet alleen hun eigen voertuig maar ook het overige Jakartaanse verkeer onder controle hebben. Dat dat nogal eens leidt tot huiveringwekkende avonturen voor de achteropzittende, nietsvermoedende passagier, laat zich raden. Een bijkomend ongemak is dat je als passagier van de ojek natuurlijk blootgesteld bent aan een overdosis kooldioxide.
  Nee, dan de bus: zo snel als de ojek is, zo traag is de Jakartaanse bus. De dienstregeling lijkt bovendien voor sommige lijnen voor de show in het leven geroepen, want die lijnen blijken in de praktijk nooit te hebben bestaan of blijken simpelweg al jaren geleden te zijn opgeheven. Bovendien, om hier met de bus te kunnen reizen moet je eerst nog een stuk lopen naar een halte, of naar de weg waar je de bus – als je geluk hebt - kunt aanhouden. Maar ja, je weet eigenlijk nooit precies wanneer die komt. En al je er eenmaal inzit, is het de vraag wanneer je eindelijk op je plaats van bestemming bent.
Verreweg de prettigste en meest betrouwbare manier om je in Jakarta te laten verplaatsen is met een taxi. En daar zijn er vele van in deze metropool. Er zijn overigens grote verschillen tussen de auto’s en de maatschappijen waarvoor ze rijden. Bij sommige moet je onderhandelen over de prijs met alle beslommeringen die daaraan vastzitten en bij andere moet je vanwege het versleten en gebrekkige materieel vrezen voor je leven als je daar instapt. Heb je geen zin in het spel van onderhandelen (of vrees je afgezet te worden) en wil je in een redelijk veilige auto vervoerd worden, dan zijn de taxi’s van de Blue Bird Group een uitkomst. Die werken met een meter en de auto’s die gebruikt worden zijn niet oud en goed onderhouden.
Ik heb me dus bij voorkeur verplaatst met de (Blue Bird) taxi. Niet alleen omdat het een prettige en tamelijk comfortabele manier van reizen is die bovendien relatief goedkoop is, maar ook omdat het verplaatsen in een taxi een onderhoudende en snelle manier is om een ander te leren kennen. De Indonesische taxichauffeur in dit geval. In een taxi gelden immers andere ‘omgangsregels’; op een of andere manier mag je in een taxi allerlei plichtplegingen overslaan en mogen de inzittenden vrijwel direct persoonlijk worden. ‘Dari mana?’(‘Waar komt u vandaan?’) is steevast de openingsvraag van de chauffeur nadat je hebt aangegeven waar je naar toe wilt. Vervolgens wordt er geïnformeerd wat je in Indonesië komt doen, wat je beroep is, of je getrouwd bent en hoeveel kinderen je hebt. Minstens zo prangend is de vraag hoe het komt dat iemand die eruit ziet als een Indonesiër, uit Nederland komt. Die directheid en de daarop volgende openheid van mijn kant geeft mij dan het ‘recht’ om te informeren naar de leef- en werkomstandigheden van mijn rijdende gespreksgenoot. Op deze manier heb ik kennisgemaakt met de levens van Haryono uit Yogjakarta, Rati uit Minangkabau, Nicolaas uit de Molukken en van vele anderen. Inmiddels weet ik dus wat hen ertoe heeft gebracht om als taxichauffeur in Jakarta aan de slag te gaan; of ze getrouwd zijn en hoeveel kinderen ze hebben; hoeveel ze gemiddeld per maand verdienen; hoeveel ze moeten afdragen aan de maatschappij waarvoor ze rijden (veel) en hoeveel ze vervolgens per maand overhouden (niet al te veel)…
Vandaag echter had ik nog een andere, bijzondere ervaring in een taxi, overigens niet een die persé alleen maar in dit vervoermiddel had kunnen plaatsvinden. Maar het gebeurde wel in een Blue Bird taxi hier in Jakarta.
Na de hele dag in het archief bezig te zijn geweest, besloot ik aan het einde van de dag naar Sarinah te gaan aan de Jalan Thamrin. Sarinah is een soort warenhuis met supermarkt en met, in het souterrain, verschillende Aziatische eettentjes. Ik wilde er boodschappen doen en daarna een soto Betawi nuttigen. Ik hield daarom een blauwe Blue Bird taxi aan, stapte in en…. schrok enorm. In de taxi, achter het stuur, zat….. mijn al jaren geleden overleden oom ‘Pong’! Werkelijk! Het was hem écht; ik vergiste mij niet!  
Oom Pong, die in werkelijkheid Alfons heette maar wiens naam al van kinds af aan was verbasterd tot ‘Pong’, was een zoon van een Nederlandse bestuursambtenaar en een Javaanse vrouw uit Kudus, Midden –Java, waar hij ook was geboren. Hij was geen échte oom van mij in die zin dat er familiebanden waren, maar hij had met mijn vader in dienst gezeten, had contact gehouden, kwam meer dan geregeld over de vloer en was dus zolang als ik me kan herinneren  voor mij ‘oom Pong’. Hoewel hem niets mankeerde, overleed hij op een mooie zomerdag in 1962. Aan een hartstilstand. Pas tweeënveertig jaar oud. Volkomen onverwacht. In onze familie werd aangenomen dat zijn hart het had begeven vanwege de beproevingen van het kampleven, de bersiap en de ‘repatriëring’.
En nu zat ik hier, in Jakarta, in een taxi, met een man die meer dan als twee druppels water op hem leek! Exact zoals ik hem herinnerde, vlak voordat hij overleed: exact hetzelfde gezicht met de donkere ogen, exact dezelfde trekken, exact dezelfde oogopslag, dezelfde mond en haardracht, zelfs dezelfde stem! Het was verbijsterend…
Toen ik enigszins van de schrik bekomen was, probeerde ik voorzichtig een gesprek te beginnen. Zijn naam was Yudhiono, overtuigd moslim, getrouwd en vader van drie kinderen. En toen ik zo met hem sprak viel het mij ook weer op: niet alleen zijn stem, maar ook zijn dictie, intonatie en zelfs zijn lach waren als die van oom Pong. Het was ongelooflijk. Toen ik hem vervolgens vroeg waar hij vandaan kwam en waar hij was geboren, antwoordde hij tot mijn grote schrik: ‘Kudus, Jawa- Pusat’. Ik geloof dat ik daarna volledig ben stilgevallen en tot mijn bestemming niets meer heb gezegd. Niets meer heb kúnnen zeggen…



Jakarta, vrijdag

Vandaag zat ik hijgend in de hal van de Nederlandse ambassade in Jakarta. Normaal gesproken kom je als Nederlands onderdaan vanwege allerlei netelige kwesties in een moederlandse ambassade in het buitenland, maar in mijn geval ligt dat gelukkig anders. Vlak voor mijn vertrek ontving ik namelijk een uitnodiging voor een persoonlijk gesprek met onze ambassadeur in Indonesië over…. de njai! De ambassadeur had mijn boek gelezen, had van mijn komst naar Jakarta gehoord en wilde mij graag persoonlijk ontmoeten. Nou, dat vond ik zoveel eer, dat ik direct heb teruggemaild dat ik deze invitatie natuurlijk in grote dank aanvaard en op de afgesproken dag en het afgesproken tijdstip mijn opwachting in de ambassade zal maken.
  Overigens had het nogal wat voeten in de aarde; het arriveren op de ambassade. Vanwege de vele opstoppingen had men mij geadviseerd om minstens drie kwartier, maar het liefst een vol uur uit te trekken voor het stuk tussen mijn hotel en de ambassade in Kuningan. Dat had ik dan ook netjes gedaan: om tien uur, een uur voor mijn afspraak, stond de auto voor die mij naar de ambassade zou brengen. Ondanks dat het vrijdag is; de dag dat in Indonesië alles in het teken staat van het bezoek aan de mesgit en als gevolg daarvan alle wegen verstopt raken door aankomende of vertrekkende moskeebezoekers, rijden we om tien voor elf, tien minuten vòòr tijd, de statige ambassadewijk binnen. En dan gebeurt het: net als ik geheel voldaan vaststel dat ik ditmaal met een voor mij ongebruikelijke Nederlandse punctualiteit mijn afspraak zal nakomen, dendert het opeens in mijn hoofd dat ik mijn paspoort vergeten ben! En men had het mij nog zo op het hart gedrukt om dát document vooral niet te vergeten, omdat ik anders simpelweg écht de ambassade niet in zou komen! Ondanks de loeiende airco in de auto, plak ik opeens aan alle kanten van het zweet. Er zit niets anders op dan terug te rijden naar het hotel om mijn paspoort op te halen.
De verbijsterde chauffeur, die ik in mijn beste Bahasa Indonesia uitleg wat het probleem is, vraagt mij tot driemaal toe hoe laat ik nu die afspraak heb. Tot driemaal toe geef ik hem hetzelfde antwoord:elf uur. Tot driemaal toe schudt hij daarop zijn hoofd, gevolgd door een nasale klank met tongklik. Daarna zegt hij niets meer, maar concentreert hij zich op een soort dollemansrit door de verstopte wegen en straten van Jakarta. Het is kwart over elf als we na veel getoeter, levensgevaarlijke manoeuvres en idioot hoge snelheden weer voor het hotel staan. Daarna volgt weer de rit naar de ambassade, nu voorzien van paspoort en vergezeld van zo mogelijk nog meer getoeter, nog gevaarlijker manoeuvres en nog hogere snelheden. Het is ten slotte tien over half twaalf als ik mij al hijgend bij de receptioniste van de ambassade meld met de mededeling dat ik om elf uur een afspraak had met de ambassadeur. In twee talen, het Bahasa en het Nederlands, vraagt de vrouw of zij het goed verstaan heeft. Ik knik gedwee, wordt teruggeworpen in de tijd, en voel mij weer even dat kleine schooljongetje dat bestraffend door de juffrouw wordt toegesproken. Met een blik die onmiskenbaar misprijzen verraadt, laat ze me weten dat ik maar plaats moet nemen op een van de stoelen in de hal.
Ik ga ervan uit dat, aangezien ik inmiddels bijna een uur te laat ben, mijn afspraak komt te vervallen. Maar ik heb me nu in ieder geval gemeld, waarmee ik dus laat weten dat ik – weliswaar veel te laat – wél geweest ben. Dat is wel zo netjes, hou ik mezelf voor. En net op het moment dat ik heb besloten om maar op te stappen – ik heb het plan opgevat om naar Jalan Surabaya te gaan om daar te speuren naar Indonesisch antiek – word ik opgehaald. Tot mijn verbazing heb ik vervolgens nog een heel ontspannen en fijn gesprek met de ambassadeur – buiten zijn agenda om – van ruim anderhalf uur! We spreken over mijn werk, over de impact van mijn boek, over de mogelijke vertaling in het Indonesisch, maar ook over Indonesië en de rol van de islam (hij is zelf van huis uit Arabist) en over ons beider liefde voor dit land. Er is echter één zaak die bijzonder veel indruk op mij maakt: de ambassadeur vertelt dat hij naar aanleiding van een van de levensverhalen in De njai, dat van Entjih, speciaal naar de nabijgelegen begraafplaats Menteng Pulo is getogen om een bloem te leggen op haar graf…
 

Bandung, maandag

Vandaag bevind ik mij, na een prachtige tocht via Bogor, de Puncak, Cipanas, Padalarang en Cimahi, in Bandung. In deze mooie stad moet ik wat dingen uitzoeken voor mijn nieuwe boek, maar heb ik ook een afspraak met professor dr. Bambang Hidayat, voormalig directeur van het wereldberoemde Bosscha observatorium en tot vorig jaar president van de Indonesische Academie voor Wetenschappen. En deze afspraak is ook weer, jawel, het gevolg van mijn boek over de njai. Via via heeft professor Hidayat mij laten weten dat hij De njai heeft gelezen en dat hij mij graag persoonlijk wil ontmoeten. Dus op die maandagavond zoek ik hem op in zijn huis in Bandung.
Bij binnenkomst krijg ik direct een exemplaar van het Indonesische tijdschrift Gatra in handen gedrukt met daarin over twee pagina’s… een recensie van De njai! De recensie is van de hand van mijn gastheer en ik voel mij uiteraard zéér verguld. Wat volgt is een zeer genoeglijke avond. We spreken (in het Nederlands) over van alles wat ons bezighoudt, maar het belangrijkste punt van gesprek is de mogelijke vertaling van De njai, waarbij professor Hidayat de uitdrukkelijke wens uitspreekt dat het boek zo spoedig mogelijk in het Indonesisch verschijnt. Met enkele vrienden zal hij zich in Indonesië hiervoor inzetten. Het afscheid is ten slotte allerhartelijkst en wij beloven nauw contact met elkaar te houden.
Niet veel later blijkt de mogelijke vertaling van De njai weer een belangrijke rol te spelen. Tijdens een ontmoeting met de Nederlandse cultureel attaché in Indonesië geeft deze mij te kennen dat hij er veel voor voelt om mijn tentoonstelling over de njai, zoals die vorig jaar op de Pasar Malam Besar / Tong Tong Fair te zien is geweest, naar Indonesië te halen en hij oppert daarbij dat de verschijning van de Indonesische vertaling van De njai een prachtige aanleiding zou zijn. Er moet, zegt hij met nadruk, voor zo’n tentoonstelling wel een duidelijke en goede reden zijn.
Direct denk ik aan wat ik vorig jaar tijdens der opening van de njai-tentoonstelling op de Pasar tegen verschillende mensen heb gezegd, namelijk dat het mijn grote wens is dat deze tentoonstelling ook in Indonesië te zien zal zijn. Hoe mooi is de symboliek niet: de Indische oermoeder die op deze manier wordt teruggebracht naar haar geboorteland!
Nu maar hopen dat die Indonesische vertaling er komt.

 
0 Totaal items

<< Alle categorieën