PARMINAH
(Uit: Portret van een oermoeder)
Copyright © Reggie Baay 2010
Athenaeum-Polak & Van Gennep
Amsterdam
Haar naam was Parminah en zij kwam uit Koedoes, op midden-Java. Aangenomen wordt dat zij daar rond 1898 is geboren. Haar vader, Sodiwirjo, was een modin, een streng gelovig man die de andere bewoners opriep tot de Islamitische gebedsuitoefening. Haar moeder heette Djasmirah. Parminah was de middelste van hun drie kinderen; er was nog een zusje en een oudere broer.
Geheel in lijn met de Javaanse traditie wordt Parminah als jong meisje uitgehuwelijkt aan een oudere Javaanse man. Als zij echter daarvan hoort, is zij zo overstuur en zo vastberaden dat ze dat niet wil, dat zij van huis wegloopt… Het leidt tot grote paniek. Uiteindelijk legt haar familie zich - inziend dat zij niet tot andere gedachten te brengen is - bij haar wens neer. Daarop keert de eigenzinnige Parminah terug naar huis.
Niet veel later blijkt de reden voor haar gedrag. Niet ver van waar Parminah woont, ligt het huis van een voorname Europeaan. Hij woont daar met zijn njai en zijn kinderen: een zoon en een dochter. De zoon is ongeveer van Parminah’s leeftijd en hoe het precies is gegaan weet niemand, maar - zo gaat het verhaal - zij blijken al geruime tijd een hechte vriendschap te onderhouden. Een vriendschap die een leven lang mee zou gaan.
Hij, Herman, de erkende zoon van de Europeaan, was geboren in het jaar 1896 in het nabij Koedoes gelegen Poerwodadi. Zijn vader, de voorname man uit het huis in Koedoes, is een heuse jonkheer. Zijn moeder is de Javaanse vrouw Basimah, de njai van zijn vader. Op een gegeven moment wil de jonkheer zijn zoon, zoals destijds gebruikelijk was in gegoede families in Indië, naar het moederland sturen voor zijn opvoeding en opleiding. Herman weigert echter pertinent. We mogen aannemen dat zijn weigering met Parminah te maken had.
Na de lagere school doorloopt Herman de Mulo in Semarang. Vervolgens kan hij, mede op voorspraak van zijn invloedrijke vader, als employee van de Nederlandsch-Indische Bank aan de slag. Het gaat Herman goed en na enige tijd betrekt hij een eigen woning en kan hij zich een personele staf veroorloven.
En dan verschijnt Parminah weer op het toneel. Zij trekt bij Herman in en vanaf dat moment leven zij in concubinaat. In 1919 wordt dan hun eerste kind geboren, een zoon, gevolgd door een tweede in 1924. Het dochtertje dat vervolgens in 1927 wordt geboren overlijdt echter al na acht maanden. Jaren later, in 1940, zou er tot vreugde van beide ouders weer een dochter geboren worden.
Parminah (staand links), Herman (staand rechts) in slaapbroek, bij de voor het huis geparkeerde Ford. De andere personen zijn: (zittend op de bumper van de auto) een tante van Herman uit Solo; voor haar twee nichtjes en de oudste zoon van Parminah; Soepardan, de chauffeur van Herman (leunend tegen het linkervoorwiel); de jongste zoon van Parminah en Herman (boven het rechtervoorwiel); de drie inlandse vrouwen achter Parminah, zittend op de treeplank, zijn respectievelijk de vrouw van de chauffeur, het kindermeisje en de kokki. Koedoes, Jalan Kazerne 105. Ca.1929
Intussen is Herman ‘in de suiker’ gegaan. Hij is employee op de suikeronderneming Tandjong Modjo en hij maakt er snel carrière. En vooral dit laatste was opmerkelijk, want Herman was een kind van een Europeaan en een njai. Bovendien was hij ook zichtbaar een Indo; donker van huidskleur. Wellicht zullen zijn adellijke afkomst en dubbele achternaam daar, in de rangen en standenmaatschappij van Nederlands-Indië met haar strikte kleurbarrières, een positieve rol in hebben gespeeld.
In de jaren twintig gaat het in de suiker nog steeds goed. Dat geldt dus ook voor Hermans carrière. Het gezin leeft in welstand als een gegoed Europees gezin, compleet met feestjes en uitstapjes naar destijds populaire oorden als Moentilan, Imogiri en de Boroboedoer. Herman is ook gek op auto’s en hij kan zich een dergelijke uitgave gemakkelijk permitteren. Op een bepaald moment bezit hij er zelfs drie: een Ford, een Studebaker en een Buick.
Met de Big Crash in 1929 komt er ook een einde aan de voorspoed in de suiker. Dat heeft uiteraard z’n weerslag op het leven van Herman en Parminah. Op een gegeven moment verruilt hij dan ook zijn carrière in de suiker voor een bestaan als ambtenaar bij het binnenlands bestuur. Daar wordt hem door zijn meerderen ingefluisterd dat het geen pas geeft dat hij als ambtenaar ongetrouwd samenleeft met de inlandse moeder van zijn kinderen. In 1932 wordt de relatie van Herman en Parminah dan ook officieel bekrachtigd in de vorm van een huwelijk.
Parminah (rechts), haar beide zoontjes en een vriendin en haar kind, zittend voor het huis in Koedoes. 1931
Al die jaren is Parminah - op de achtergrond - niet alleen Hermans steun en toeverlaat, maar ook de spil van het gezin. In de oorlogsjaren is zij dat nog meer. Zij zorgt er bijvoorbeeld persoonlijk voor dat Herman en de kinderen buiten de kampen blijven en ze ontpopt zich, hoewel zij analfabete is en alleen Javaans spreekt, tot een kordate en succesvolle handelaarster. Hierdoor komt het gezin redelijk de oorlog en de bersiap door.
Na de soevereiniteitsoverdracht vertrekken ook Parminah en Herman naar Nederland. Daar komen ze na verschillende omzwervingen terecht in een klein plattelandsdorpje in Zuid-Holland, waar Parminah mijn nenek Parmi zou worden.*
In 1981 overlijdt Herman, 85 jaar oud. Parminah, die volgens haar dochter altijd haar lot aanvaardde, had het daarna heel moeilijk; zo alleen in die vreemde Hollandse wereld. Aangezien zij analfabete was, net als haar familieleden in Koedoes, heeft zij na haar afscheid aan het begin van de jaren vijftig nooit meer enig contact met hen gehad.
Naarmate ze ouder werd, begon het verleden en het verlangen naar haar geboortegrond haar meer en meer parten te spelen. Zij verloor steeds meer het contact met haar omgeving. Totdat zij uiteindelijk niet meer sprak. In 1988, vermoedelijk 90 jaar oud, overlijdt Parminah in een verzorgingstehuis. Zij ligt begraven in Bloemendaal. Ver van haar geboortegrond: Koedoes, op midden-Java.